Op de blouse zitten biologische contactsporen van Louwes. Dit zijn sporen, zoals huidcellen, die minder duidelijke DNA-profielen opleveren dan bloed of sperma. De kans op besmetting van de profielen is groot. Daarom moet er voorzichtig mee worden omgegaan.
Knoops wijst op een NFI-notitie over contactsporen, uit 2005. Daarin wordt een forensisch-technische (FT) norm genoemd, waarin staat: �Kledingstukken mogen niet op etalagepoppen worden aangebracht (bijvoorbeeld om foto�s te maken)�.
Toch is dat precies wat er is gebeurd. De blouse is op een etalagepop gehangen en binnenstebuiten gekeerd. Op de grond, naast de blouse, staan een stuk hout en een tas. Er ligt ook wat rommel; dingen die te klein zijn om te herkennen.
�Dit is in strijd met de norm�, aldus Knoops, en dus valt de kern van het bewijs weg. �Het hof in Den Bosch heeft Louwes veroordeeld omdat verondersteld werd dat zijn DNA op de blouse is gekomen tijdens de moord. Andere verklaringen, zoals contaminatie (besmetting) van de blouse vond men volstrekt onaannemelijk. Dat is niet langer vol te houden.�
Het NFI wil niet in detail op de zaak ingaan. Het instituut stelt dat de norm waar Knoops naar verwijst alleen van toepassing is op onderzoek door de politie. �De gedachte dat een FT-norm geldt als norm voor het werk in een laboratorium is een misvatting.� Verder stelt het NFI dat het werkt volgens strenge kwaliteitsnormen.
�Deze verklaring is bizar�, zegt Knoops. �Waarom zouden voor het NFI minder strenge normen gelden dan voor de politie? Waarom laten ze vreemde voorwerpen liggen in een onderzoeksruimte? Dat is niet uit te leggen.�
